Om dit dagboek nog eens extra in de spots te plaatsen, en hoofdzakelijk om te voorkomen dat dit door nieuwe posts verdrukt zou worden en in de vergeetput raakt, is er een hele pagina gewijd aan Bangladesh! Allezja, het gaat over Bangladesh, maar dit ‘ding’ handelt hoofdzakelijk over het verblijf van 14 westerlingen in het verre land, in de krokusvakantie. Geniet ervan.
Hoplahoi! Nu ik weer gewend ben aan het lekkere luxeleventje (wat een alliteratie!), het Nederlands weer wat onder de knie heb en weer weet wat een computer is en hoe je ermee werkt, kan ik ál mijn avonturen uit Bangladesh aan jullie meedelen.
Het zijn niet alleen mijn avonturen, het zijn ook die van een hele groep mensen die ik leerde kennen, nieuwe vrienden zou je haast kunnen zeggen. Allereerst bedankt aan al mijn medereizigers dus, om geen ‘pain in the ass’ te zijn, daar in dat verre land.
Ok, here goes: de volgende letters, woorden, zinnen en hoofdstukken die je nu (hopelijk) zult lezen, berusten op waargebeurde feiten. Ze werden nagenoeg elke dag genoteerd in een schrift door mezelf en ze behoren dus ook toe aan mezelf (maar hoe meer het gekopieerd wordt, hoe meer mijn ego groeit, dus go ahead-mits vernoeming van de auteur, uiteraard!).
Dag 1: vrijdag
Wat een luxe, nog nooit gezien. 15 na 18 uur (Britse tijd, bij gebrek aan kennis van de Beiroetse tijd), Stadium Arcadium door mijn oren knallend, schrijf ik nu wat jij, beste lezer, over een grote week zult lezen. Films die ik reeds gezien heb: The Incredibles, een Simpsons-episode en een deel van Cars. Albums reeds beluisterd: Black Holes en Revelations [Muse] en nu Stadium Arcadium [Red Hot Chili Peppers].
Je vraagt je nu waarschijnlijk af waar ik me nu in godsnaam bevind, en hoe dit alles mogelijk is. Wel, ik bevind me dus een grote tien kilometer boven Beiroet, in een Boeing 777-300. Hoe die films en dergelijke mogelijk zijn: Het Schermpje Voor Mij. Met dat Schermpje Voor Mij kan ik muziek en radio beluisteren, telefoneren, onze huidige positie waarnemen, en door een camera aan de voorzijde en onderzijde van het vliegtuig kijken. Knap staaltje van techniek, niet? En dat terwijl ik over +-6uur in het armste land van de wereld neerstrijk…
Net een heerlijke maaltijd binnengespeeld, maak ik me klaar om een dutje te doen. Of toch niet, we landen in Dubai binnen 2u. Ofja, dan heb ik toch nog wat tijd.
By the way, de plaatselijke tijd is 25 na 20u, weet het Schermpje Voor Me net te vertellen.
**Wat Later**
Net de Beatles ontdekt op het fameuze Schermpje Voor Me. Ideale schrijfmuziek, me dunkt. Links van me zitten mensen te zingen, aan mijn rechterkant zit iemand te tekenen, maar aangezien ik in geen van beide bezigheden erg bedreven ben, besliste ik nog wat hanepoten neer te zetten in dit schrift (en ligt het nu aan mij, of beginnen er veel woorden met een b in het tweede deel van mijn zin?).
We zitten nu 1066m hoog, schieten met een snelheid van maar liefst 1062km/u vooruit (sjans dat hier geen flitspalen staan), en Dubai ligt op 1413km van hier. Binnen een groot uur zijn we er dus. Om dan nog eens een paar uur te vliegeren..
Dag 2: zaterdag
Hoppa, dag 2 zit er ook weer bijna op. Als je het een “dag 2″ kunt noemen tenminste, want “verlengde van dag 1″ zou juister zijn. We zijn in Dhaka geland om 8u30, terwijl de zon ons toelachte en zorgde voor een temperatuur van 22°. Eens alle formaliteiten achter de rug en alle valiezen terug bij hun rechtmatige eigenaar, maakten we kennis met Willem Gees. Toffe gast die blijkbaar zijn huiswerk gemaakt had, want hij noemde ons -bijna- allemaal meteen bij naam.
De jeeps van Damiaanactie (verder afgekort met DF, Damien Foundation; kwestie van in de sfeer te blijven) brachten ons tot ons hotel: Center Point. For People Who Demand The Best, zo luidt hun slogan, en dat in een ontwikkelingsland. De rit naar het hotel betekende veel foto’s, veel bekijks, en een jongetje dat z’n handen naar me uitstrekte met de bedoeling een kleinigheid te krijgen. Tevergeefs, maar daar voelde ik me -echt waar- ‘paardeslecht’ bij.. Gaf ik iets, dan stond half Bangladesh aan mijn deur om een gulle gift, maar toen ik die jongen niets kon geven, wist ik niet wat doen; negeren is grof en pijnlijk (zowel voor die kleine als voor ik), ernaar kijken is even erg, en zwaaien en lachen is nog een stage verder.Wat zou jij doen? Nu aarzel je misschien niet te antwoorden, maar geloof me, je zou het er moeilijk mee hebben..
Terug naar de rit nu. Die betekende dus foto’s, bekijks, het bedelende jongetje, maar ook (en vooral eigenlijk): klaxonneren. Een klaxon is in Bangladesh -naast het feit dat hij moet rijden- het belangrijkste aan een auto. Zonder ‘toeter’ zou er hier nogal wat gebeuren.
Nu is het ook al zo: orde, nooit van gehoord. Ritsen, wasda? Voorzichtigheid, ammehoela (wat een leuk woord). Echt waar, orde is hier niet aan de orde (haha..). Als je een videofragment over zo’n grootstad ziet, schrik je al. Maar zit er dan nog eens zelf in! Respecteren van de wetten rond verkeer: nul de botten!
Na het ‘leuke’ ritje arriveerden we dus in ons hotel. En aangezien mijn meeste kompanen (en ook ikzelf) nood hadden aan een ‘tuksje’ (nee, niet het koekje), sprongen we om 10u30 in ons bed. We hadden afgesproken om 13u30 beneden in het hotel, maar als je nog slaapt, kan je moeilijk op tijd beneden staan, niet?
Dus, een beetje in retard vertrokken we naar Old Dhaka (na eerst stuutjes te hebben gegeten bij Willem thuis), het armere deel van Dhaka. Wat een straatbeeld: fruitstandjes, rickshaws en opgedraaide Bengalen die állemaal op de foto willen. En daarna de foto nog willen zien ook. Zo heb ik vandaag een kleine 200 foto’s genomen. Als ik de reis helemaal wil vastleggen op mijn ene geheugenkaartje van 2 gig, dan zal ik mijn fotografeergedrag wat mogen inperken..
De haven in Old Dhaka verdient wel een bezoekje, zo moet Willem gedacht hebben. En Willem dacht (zeker niet voor de laatste keer) juist. Lots of people, allemaal opeengepakt, allemaal fotogeniek, allemaal anders, maar toch wat hetzelfde. We hebben meer mens dan haven gezien, maar de eerste dag vindt men dat nog tof!
Na de haven waren we toe aan een rickshaw-ride! heel leuk allemaal, maar bij deze wil ik toch even melden dat die dingen niet gemaakt zijn voor lange slungels (evenals vliegtuigen, zo heb ik gisteren ondervonden, bah). Mijn voeten wisten niet waar ze zich neer mochten zetten op het ding, en mijn bips schoof telkens van de bank af. Hoeveel keer hebben we niet:”Pas op voor ‘t putteke!” geroepen naar de rickshawrider, of “ahoihoi”, tegen voorbijgangers. Dat laatste vond onze chauffeur blijkbaar leuk, en dus nam hij onze groet klakkeloos over. Rare jongens, die Bengalen.
De rickshaw bracht ons naar Lalbach (of iets dat erop trekt), een oude en mooie moskee annex museum. Ik denk toch dat het een oude moskee was, maar soit.
En nu zit ik weer in het hotel, de haren nat van het -koude- douchen, de handen pijn van het schrijven (au-au).
Het avondeten wordt zo dadelijk geserveerd, maar wanneer weten we niet meer precies.. We zien wel.
Doei, Thomas
Dag 3: zondag
Ongelooflijk, die mannen in Bangladesh. ’s Avonds rond 24u30 hoor je ze ‘van hun tetter’ maken op straat, je slaapt tot 7u30 en lap, daar zijn ze wéér. En volgens enkele medereizigers waren het telkens dezelfde mensen, die je kon horen. Maar daar storen we ons, verdraagzaam als we zijn, natuurlijk niet aan, en we (ik althans) hebben weer een mooi schoonheidsslaapje achter de rug. Alleen jammer dat het effect steeds uitblijft..
“Fris en monster?”, vroeg Wim bij het ontbijt, en dat was meteen ook de aftrap van een ‘flauwemoppendag’ (die zo’n succes oogste dat ze verlengd werd tot een ‘flauwemoppenweek’). Het was overigens ook een absurde flauwemoppendag, maar daarover later meer.
Nadat we onze fietsen gekozen hadden -de mijne heette Dirk (zoals de papa van Sofie, nota van Sofie)-, links hadden leren rijden en nog zo van die dingen, crossten we als volleerde veldrijders door Bangladesh. Eerst moesten we uit Dhaka zien te raken, daarna maakten we een jungleritje. En wát een jungle.
We zagen er honden (véél honden), geiten, 2 katten, en nog wat koeien(of toch een mager afkooksel van die beesten). De eerdergenoemde schepsels lopen lekker overal rond, of hangen -in het geval van de geiten of koeien- veilig vast aan een stok in de grond. Hoewel, veilig. Toen we zo’n vastgelegde koe passeerden, was hij zodanig ‘van zijn melk’ (flauwemoppendag, remember?) dat hij het met stok-en-al op een lopen zette. Of hoe een koe-eigenaar gemakkelijk een koe-ex-eigenaar wordt.
Maar kom, nu wat meer over de ‘absúrde flauwemoppendag’. We zijn aan het fietsen, fiets, fiets (kunt u het zich voorstellen?), en plots komen we in volle woestijn terecht. Al behoorlijk vreemd, naar mijn gedacht. We fietsen door het zand (wat serieus lastig is), en we komen enkele kinderen tegen. Niks raars op zich (behalve het feit dat hun gezicht een geel kleurtje had, maar dat was versieren en/of een soort sunblocker. Hoe bleker je daar namelijk bent, hoe mooier. U kan wel denken wat een groep blanken daar dan teweegbrengt!), maar toen we ballonnen begonnen uitdelen, kwamen er plots van overal kinderen tevoorschijn, die met hebberige handen grepen naar de uitgedeelde spullen. We fietsen verder (fiets, fiets,), komen terug in een woestijnachtig gebied, ik neem een foto van het landschap, en helemaal onbewust zeg ik daarop:”Danku”. Dus: fietsen, woestijn, gele kinderen, vele kinderen, fietsen, woestijn, foto, danku. In mijn ogen toch behoorlijk absurd (maar volgens andere mensen dan ook weer niet).
Wel erg mooie kiekjes genomen. Dat kan ook niet anders, als je een steenbakkerij, een school, een dorpje, een boot(met bijhorend tochtje) en dergelijke bezoekt.
En zelfs het kleinste kind spreekt hier Bangla, straf é!
Dag 4: maandag
Ik zit hier, als enige Belg, in een kring vol Bengalen. Er is nog een andere blanke, maar wie of wat die is of doet, zou ik begot niet weten. Ze zingen allen samen een Bangla-versie van “We Shall Overcome” (schiet me niet dood, maar ik had er nog nooit van gehoord), een hymne die wordt aangeleerd aan lagere-schoolkinderen. Het lied gaat blijkbaar over het feit dat alles wel in orde komt, zo legde een vriendelijke Bengaalse me uit. Een héle vriendelijke Bengaalse, zo blijkt net, ze trakteerde me zojuist op een spekke (een bonbon)!
We zaten vandaag de hele dag in de auto. Lastig, maar we hebben genoeg tussenstops gehad, onder andere bij een staatsziekenhuis. Daar werdenwe verwelkomd door de directeur, een arts en de ’supervisor’ van de lokale DF.
–onderbreking–
Excuses voor de onderbreking, maar ik heb net geprofiteerd van de -eindelijk- vrije douche, en wat muggelotion op mijn teer velletje aangebracht. De muggen zijn hier namelijk even bloeddorstig als een vampier met bloedarmoede. Over bloed en van die zaken gesproken, ik was dus aan het vertellen over de kliniek die we deze voormiddag bezochten (en waar we eigenlijk geen spatje bloed gezien hebben, sjans).
Na de uitleg van de directeur en een vriendelijk aangeboden theetje (persoonlijke mening: bwuêk) namen we een kijkje in de slaapzalen (correctie, slaapzaaltjés), die zo’n 15 mensen kunnen herbergen. Zo waren er 2 zaaltjés in het hele ziekenhuis (medereizigers, correct me if I’m wrong!).
Zaal 1: The ladies and children. De eerste vrouw die we “bezichtigden” (nogal cru gezegd, maar het is infeite écht de juiste woordkeuze) was eigenlijk nog maar een meisje. Ze telde 15 lentes en was 3 dagen terug van haar eerste kindje bevallen. Na navraag in de groep durfde nagenoeg niemand met zekerheid te zeggen of het kind aldanniet prematuur was geboren, maar over 1 ding was er geen discussie mogelijk; het boeleke was véél te klein. Nog geen 30 cm groot en, volgens de dokter, 1,5 kg zwaar was dit kind. Zo heeft het trouwens ook een fysieke achterstand op “beter-geborenen”, iets wat in dit land echt niet mooi meegenomen is (zo denk ik er toch over)..
De meeste andere vrouwelijke patiënten leden aan berglepra, een gelijke van lepra, maar toch niet helemaal hetzelfde (excuses voor de vage en zwakke uitleg, maar een dokter ben ik niet, en vandaag hebben zovele dingen mijn hoofd binnengedrongen, dat ik -hammer maar jelaas- niet álles kon onthouden). De berglepra-ers krijgen elke dag vaccinaties voor een bepaalde duur, en daarna worden ze -indien genezen- ontslagen uit het ziekenhuis.
Ook lag er een vrouw aan een infuus; zij was gewoon te zwak (nogmaals, ik ben geen dokter, dus vraag me niet waarom). Daarnaast lag een vrouw die fysiek geweld ondergaan had, en zo terechtkwam in dit zaaltje. Het enige kind -naast de pasgeborene-, een jongetje, had ook berglepra, maar zag er, eigenlijk net als alle anderen, nog fraai gezond uit.
De mannenafdeling, vervolgens. Hetzelfde liedje als bij de vrouwe, alleen was er geen bevalling geweest (stel je voor, een bevalling op de mannenafdeling). Berglepra alom, alweer, maar ook slachtoffers van fysiek geweld, en zelfs een verkeersslachtoffer. De stakker was een arm afgezet.
De supervisor van DF vond het tijd voor wat ‘Health Education’, en zijn wil geschiede, met hulp van wat simplistische cartoons. Maar nu weten we tenminste hoe het wel/niet moet, omtrent hygiëne en het diagnosticeren (of is dit geen woord?) van lepra/TB. Ook kregen we uitleg over zaken waarop Willem de avond ervoor al uitvoerig was ingegaan. Toen de supervisor klaar was, mocht er wel wat interactie gebeuren.
We gingen een kijkje nemen in het labo, om de opsporingswerkwijze (dat zijn 19(!) letters) van TB te bezichtigen. Nogmaals, de technische kant zal ik hier niet kunnen beschrijven, maar ik heb wel mooie foto’s uit een microscoop (over de amateuristische pogingen om juist te mikken in dat ding zullen we ook niet verder uitweiden) van een besmette fluum, ook sputum genoemd.
En dan.. terug naar de auto! Op weg stopten we even bij een plaatselijk winkeltje annex café. Al moet je het begrip café wel breed opvatten: café betekent in Bangladesh: ‘winkeltje waar men -aldanniet frisse- frisdrank aanbiedt’. Frisdrank, want alcohol wordt in een moslimland niet getolereerd. En toch blijven Bengalen lachen.
Na weer een aantal uur gezweet te hebben in de auto kwamen we in Mymensingh, aten daar, bezochten ook meteen de plaatselijke bakkerij. Waar we meteen ook moesten lachen bij het zien van de hygiëne. Correctie: bij het niét zien van de hygiëne.
Hop, de auto weer in. Deze keer reden we in één trek door naar Nekrokweeniwaar [later bleek dit Netrakona te zijn], waar ik nu zit. We losten de jeeps en het camionetje (bestelwagen met open laadruimte, voor de niet-verstaanders) dat instond voor het transport van de fietsen, en settelden ons in onze kamers. Bij ‘je settelen in je kamer’ hoort hier blijkbaar het ophangen van een muskietennet, lekker spannend! Ik begrijp het nut van dat net ook volledig (zie de eerdergemaakte opmerking over de muggen hier).
We gingen ook eten in een restaurant, waar we rijst, kip, groenten, linzen en nog van dat lekkers voorgeschoteld kregen. En beter nog: we zijn zodanig solidair met de Bengaalse bevolking, dat we (de meesten toch) ook onze handen uit de mouwen staken. Niet om zelf een potje te koken, nee, maar om ermee te eten. Een verrijkende ervaring, maar ook leerrijk, want ik leerde het volgende: Smaken je handen naar muggenbucht, dan smaakt je eten daar ook naar. Maar na een eindje verdwijnt dat bucht van je handen, en bijgevolg ook van je eten. Dus kan je uiteindelijk toch lekker eten.
En zo zit ik hier nu, na het eten, na een theetje (het 2e vandaag, en zeker niet het laatste van de reis. Nochtans ben ik niet zo verzot op thee..) én bij een bijna-maar-nog-niet-helemaal-opgebrande kaars. Dit bronnetje van licht staat hier tengevolge van de elektriceitspanne die zich eerder op de avond voordeed. Positief punt: we hebben zo ook al kunnen genieten van een dineetje bij kaarslicht (de domme moppen moesten we er wel bijnemen, maar soit).
Of het een panne was, weet ik niet zo zeker eigenlijk. Willem (alwéér Willem) wist namelijk te zeggen dat de provider een kleiner aanbod dan vraag heeft, en daarom regio per regio voor een bepaalde duur zonder stroom zet. Ze zullen dit hier dus wel gewoon zijn.
Maar ik begin me hier plots eenzaam te voelen, nu iedereen al (vroeger) vertrokken is naar bedlehem. Ik zal dus ook maar aanstalten maken in die richting, nu het 15 na 23u is. Dit wil zeggen dat het bij jullie nu 15 na 18u is.
Slaapwel,
Thomas
Dag 5: dinsdag
Juj! ‘t Is nu diessendag (in het Westvloms), ofte Nudistendag! Dankje Wim, voor de toffe woordspeling. Bij jullie is het nu dus ook Nudistendag, maar wel 5 uur vroeger, dat wil zeggen 15 voor 16u. Bij jullie zit de zon waarschijnlijk nog hoog in de lucht, terwijl die hier niet meer te bespeuren is, in het pikdonker. Nogal wiedes, als de avond hier al om 16u begint te vallen.
Vandaag zijn we weer met de fiets op tocht gegaan. In Dhaka mocht ik op Dirk springen, nu was het aan Luc om door mij bereden te worden. Voor geshockeerde lezers: Iedere fiets heeft hier zijn naam, of vergat ik dat te vertellen?
Eens Luc op gang was, na het ontbijt, kwamen we aan bij een dame, de oprichtster van Sabalamby. Sabalamby klinkt misschien grappig, maar de doelstellingen zijn wel ferm respectabel. Het is een ngo die voornamelijk vrouwen helpt. Het voorziet in educatie voor hun kinderen, regelt microleningen (datgene waarvoor die vent Junus kweetnietwat de Nobelprijs won), en nog een derde iets dat me nu jammerlijk ontgaat.
We gingen kijken naar zo’n school, waar de leerlingen voor ons lazen, schreven (wat Engelse zinnen, die wij mochten verbeteren), zongen en dansten. Bij wijze van wederdienst zongen wij “Hoofd, schouder, knie en teen”, en deelden we cadeautjes uit.
Daarna gingen we een dorp bezoeken waar gezinnen woonden die gesteund werden door SUS (Sabalamby Unnayan Samity). Enkele vrouwen vertelden wie ze waren, wat ze deden voor de kost en waarom ze een lening hadden aangegaan. De meesten hadden dit gedaan om zich een gabi, melkkoe aan te schaffen.
Na dit bezoek fietsten we helemaal terug tot in Netrakona, en daar gingen we eens kijken in een workshop waar kinderen prachtige dingen zoals rieten manden, stoelen, kleren (niet van riet) en dergelijke maakten.
Deze dingen werden te koop aangeboden in de nabijgelegen shop, die wij natuurlijk ook eens gingen inspecteren. En waar ik een ecologische tas (je hier niet te veel bij voorstellen, het is gewoon een riet-achtig ding om boodschappen mee te doen) kocht voor mijn mammie en zusjes.
We vonden het alweer tijd om een ziekenhuis te bezoeken (het tweede van wat een lange rij hospitalen zou worden). Veel erge gevallen in het hospitaal van Netrakona, maar ook vriendelijke dokters en verpleegsters om dit euvel te verhelpen. Maar terwijl één van deze vriendelijke dokters een woordje uitleg gaf bij het behandelen van de patiënten, deed ik nogal het meest foute uit mijn hele leven (tot nu toe althans).
Het ging als volgt: De dokter was uitleg aan het geven, praatpraatpraat dus. Wij (toch de meesten onder ons) staan aandachtig te luisteren, tot een man binnenkomt en weer buitengaat. Sofie had die man welgeteld 1 (of 2, ik zal nog gul zijn) seconden aandacht geschonken, en toch wist ze meteen te vertellen dat zijn “teritte” (AN: ritssluiting van zijn broek) open stond. Nu lijkt dit misschien nogal droog, maar ik kan je wel vertellen dat het op dat moment nogal hilarisch was (situatiehumor heet zoiets). Wel, dat foute waarover ik het net had, dat is dus de slappe lach (of hoe noem je zoiets) hebben in een hospitaal vol verminkte, arme mensen. Waarvoor mijn oprechte excuses.
Na het ziekenhuis: de stad in met een rickshaw. In de stad wat shoppen, een drietal mensen van de groep kwijtspelen, zoeken, niet vinden, nog meer zoeken, en uiteindelijk toch vinden. Daarna gegeten -the usual- en nog wat nagepraat in onze verblijfplaats met Johanna en Sofie. Om 1u30 in mijn bed gesprongen, om om 7u30 door Wim gewekt te worden. Maar dat is dus voor morgen.
Dag 6: Woensdag
Quote van de dag: “Er zijn er.. zoveel!” Bij het terugkijken kan dit in feite zowat de quote zijn van de gehele reis: Alles begint bij de grote populatie, van probleem tot oplossing.
Probleem vandaag: de vele Bengalen.
Oplossing: Geen
We vertrokken deze morgen zonder ontbijt, want na 2 dagen Netrakona mochten we verpotten naar Mymensingh. Onderweg, nog in Netrakona, aten we toch nog snel wat eieren een een soort shapati’s (platte broodjes), met bananen (vertelde ik al hoe lekker die kleine banaantjes daar zijn? Wel, heel erg lekker) en appels die Willem elders voor ons was gaan kopen. Dit alles (behalve de aankoop van de lekkere kleine banaantjes en appels dus) in een typisch Bengaals restaurantje. Typisch Bengaals, da’s kweet-niet-hoe tof, zo met al die vliegen die rond je hoofd zoeven en zoemen. Het aantal vliegen in het restaurant was ditmaal ongeveer recht evenredig met het aantal ons aangapende Bengalen.
In mijn schriftje schrijf ik nu met het zwart Damiaanstiftje van Sofie, aangezien mijn blauw spoorloos verdwenen is in mijn bed. Misschien is het wel opgegeten door één van de kakkerlakken, spinnen of muggen die we hier reeds ontmoetten.
Na ons smakelijk ontbijt (ik ben eens niet cynisch/sarcastisch, het is echt waar!) fietsten we weer verder. En verder en verder.. Tot we opeens een mooi landschap zagen. Fotootje nemen, en dan weer de fiets op, en fietsen, een ander bezienswaardig iets aantroffen, weer fietsen, enzoverder enzovoort. (Wat heb ik toch een spannend dagboek!)
Tot in Jaipur (ofzoiets) ging het zo verder. Daar reden we een aantal keer mis, probeerden we foto’s te nemen van een personentrein, die, nader bekeken, een goederentrein bleek te zijn. Ook viel ons oog plots op een groen aangeslagen Damiaanactie-bord, waar ik met volle overtuiging (én met mijn T-shirt) het DF-logo ‘ontgroende’. Nobel, niet?
Na al deze hindernissen arriveerden we in another typisch Bengaals restaurant. Lekker gefrituurde dingen (vraag me geen specifieke info) werd ons voorgeschoteld, vadsig plakkende flessen URO (de plaatselijke Fanta Lemon, maar dan kosjer) werden uitgebonjourd, en honderden Bengalen verjaagd. Wim had de moed een eerste kleine groep nieuwsgierigen te tellen, het waren er 116. Maar dat was maar een fractie van de uiteindelijke kijkers.
Na het eten verder gefietst, een paar keer gestopt, onder andere bij een grote rivier, waar een heuse eendenherder (jawel,een ééndenherder) aan het werk was. Hij hoedde mooi getrainde beesten, die niet trachtten te ontsnappen. En wanneer hij Aaiaai (ofzo) riep, werd er ferm in koor gekwaakt als antwoord. Toen ook ik dit probeerde -het Aaiaai, niet het kwaken-, trakteerden de eenden ons eveneens op een puik staaltje van kwaaktalent.
Langs een mooi mountainbike-routetje (met gewone fiets) rijdend, genoten we van het landschap. Onbeschrijflijk, dus ik zal ook geen moeite doen. Uiteindelijk kwamen we hier aan, in Mymensingh. We slapen in een trainingscenter van Caritas, een andere NGO die hier blijkbaar werkzaam is. Mooi domein, maar dezelfde minder mooie kamers.
Helemaal verkwikt door een douche zakten enkelen van ons met een rickshaw naar de stad af, om er wat te internetten (als volwaardige nerd kan ik het niet missen). Tevergeefs, want toen we daar aankwamen, viel de elektriciteit uit. Dan maar terug naar ons ‘hotel’.
Na een dutje: het avondeten. De pot schafte alweer hetzelfde: rijst, groentjes, kip en linzen. Niet slecht, bijlange niet slecht. Daarna ‘chillden’ we wat op de gang, en nu zit ik in mijn kooi. Een echte kooi, zo lijkt het met mijn muskietennet rond me. Slaapwel.
spellingsfouten en/of grammaticale fouten zijn schering en inslag bij uw blogger, dus als u een fout ziet, meldt meld dat dan aub! dankedanke.



2:20 pm, januari 10, 2009 at 2:20 pm
Salaam alaikum/Namoshkar/Adap,
Na zelf net anderhalve week terug te zijn uit het prachtige Bangladesh, eveneens een inleefreis met Damiaanactie en met Willem,
kan ik alleen maar zeggen dat het deugd doet om dit te lezen. Alles is zo herkenbaar!
Zelf heb je als inspiratiebron dienstgedaan en ook ik ben aan een blog begonnen (zie website), waar ik het niet kon nalaten ook even een link naar deze te zetten, het is werkelijk heel goed geschreven!
Isabelle
10:12 pm, juli 15, 2009 at 10:12 pm
Hallo Thomas!
Ik ben Gilke, 16 jaar en in december ga ik ook met de Damiaanactie naar Bangladesh. Na jouw verhalen gelezen te hebben, ben ik nog enthousiaster om te vertrekken! Het lijkt me een zeer unieke ervaring. Kan je me soms handige tips geven of goede raad?
Groetjes, Gilke