En daar zit ge weer, op uw kot, op de plaats waar ge al ettelijke keren gezeten hebt, maar waarvan ge een jaar geleden nog geen flauw benul had dat ge er nu zou zitten. Ge hebt er al in verschillende toestanden gezeten, soms strontzat, soms geconcentreerd dat uw ogen haast uit uw kop vielen.

Er wordt geklopt, ge doet open, er komt iemand binnen. Ge zit er samen voor een uurtje, babbelt over de koeien en hun kleine kalveren, de ander gaat weer buiten, en daar zit ge dan weer. Zonder kompanen, zonder stylo om uw blad te vullen, zonder gerief om uw potlood te scherpen.

Ge denkt aan de voorbije dag, aan de voorbije dagen, maar vooral aan de komende. Want er zullen er nog ferm wat komen. En daar zijt ge, in alle simpelheid, doodgelukkig om.

En uw potlood is opgeschreven, en uw blad is haast ten einde, dus gaat ge maar weer op uw bed liggen. En hoewel ge een schoon boek leest en uw muziek te luid staat voor uw oren, valt ge langzaam, maar onweerlegbaar zeker in slaap..