Vraag maar aan mijn benen. Net terug van een 10-daagse Italië-reis (waarvan een verslagje volgt) kreeg ik het in mijn bol om eens sportief te gaan wezen. Had ik maar niet geluisterd naar mezelf, dan had ik nu geen stramme spieren.

Gisteren vond ik het nodig om nog eens het toertje, dat ik een jaar geleden nogal regelmatig liep, af te leggen. Met als gevolg dat ik op mijn vele pauzes moest constateren dat mijn fysiek me door de non-activiteit ontfutseld werd.

Gisteravond ging ik in op de uitnodiging van zuslief om mee te gaan zwemmen, hoewel nog niet geheel gerecupereerd van de ochere 10km die ik met moeite uitgelopen had. Ook op dat zwemmen had ik beter een njet als antwoord gegeven.

En als kers van de taart ben ik helemáál over mijn toeren gegaan bij het meerijden met -of beter gezegd, achtersukkelen van -twee -klaarblijkelijk veel sportievere- vrienden, die voorgesteld hadden de Kemmelberg nog eens te gaan beklimmen.

Mijn sportieve geweten is weer gesust, waarbij ik meteen ook beslis m’n sportplunje voor enkele weken in de kast te laten liggen.

Sporten is gezond, zeggen ze dan. Laat mij maar gerust zitten in de zetel met een grote zak chips, daar krijg ik tenminste geen pijn van aan mijn ledematen. (Zei de luizigaard).