Vorige blogpost over Italië eindigde zo: Maar aangezien ondergetekende geen moer Italiaans snapt, wordt de blijde boodschap al weer vlug in de nachtkastje gestopt.
Dus zal ik maar gewoon verdergaan op het elan waarop ik bezig was.
Maandag 24 maart, dag 2
De Italiaanse nachten zouden nooit lang duren, zoveel is duidelijk. Of beter gezegd, het slápen in de Italiaanse nachten zou nooit lang duren. De roomservice is zo vriendelijk ons wakker te bellen om 7u30 -of was het nu kwart na?-, en voor de enige keer op de hele reis hoor ik de telefoon, en mijn eerste conversatie met een Italiaan geschiedt:
-Wake Up Call, blablabla
-Si, bene.
Wat zou dat een taalverrijkende reis worden.
Na het opnemen en weer terug neerleggen van de hoorn-want dat doe je met een hoorn, hem opnemen en na het gesprek terug neerleggen- dut ik weer in. Tot een vette elektroschijf van mijn slaapvriend (jawel, sláápvriend) me voor een tweede keer wekt. En de vriend voor een tweede keer blijft snurken. Toch slaagt hij erin eerder op appel te zijn bij het ontbijt, en wat voor een ontbijt.
eieren met spek (of toch iets dat erop gelijkt en dezelfde smaak heeft), croissants (jammerlijk naar sinaasappelen smakend), cornflakes en pistolekes. Wat zal dat een teleurstelling zijn, als blijkt dat dit het beste ontbijt is van de tien dagen.
Na het ontbijt: voor de eerste van zeven keer onze valies terug opkramen en de bus op. We hebben immers 280 km voor de boeg, langs de Ligurische kust (niet dat ik me dat kan herinneren, wegens een overdosis manillen, maar bij het maken van dit verslag spiek ik constant in ons reisboekje. ‘t Is maar dat je het weet) naar Pisa.
Een leuk stadje, Pisa, met zijn -door nalatigheid (of gewoon stomheid) van de architecten scheefgetrokken- klokkentoren, ook campanile genaamd, doom (lap, alweer een doom), baptisterium (doopgebouw) en camposanto (begraafplaats uit de middeleeuwen). Alleen jammer dat de Campo dei Miracoli, waarop dit alles gebouwd is, volloopt met olijke onnozelaars die het grappig menen te vinden een kiekje van zich te laten nemen terwijl ze de toren rechthouden. Rare jongens, die toeristen.
Een nog raardere jongen was bijgod een Pisano zelf, die het nodig vond stilte te eisen en te beginnen zingen in het baptisterium, zogezegd om de akoestiek te benadrukken. Akoestiek genoeg, en de man (die blijkbaar toch een werknemer van de stad was) kreeg door enkele medereizigers een centje in zijn hand gestopt.
Maar goed, korte samenvatting van Pisa: veel -mooie- gebouwen, veel mensen, veel zon, veel -haha- pizza om te eten.
Na de korte stop in Pizza stappen we nogmaals de bus op, dit keer voor een ‘kortere’ rit van 100 km naar Firenze, alwaar we ons -alweer miserabele- avondmaal nuttigen, antipasta (inderdaad, van 10 dagen Italië zou je voor minder anti-pasta worden) en iets dat moet doorgaan als varkens- of kalfsvlees. Mét uiteraard een flesje goeie witte wijn. De rode wijn is voor later.
En later, daarmee bedoel ik het hotel, maar daar zijn we dus nog niet. Eerst maken we een fraai lange wandeling door Firenze, langs de derde doom, met indrukwekkende koepel, van de reis, de tweede of derde campanile van de reis (ik kan me niet herinneren of ik een klokkentoren heb zien staan in Milaan), het tweede of derde battisterio (zelfde reden als bij de klokkentorens voor mijn getwijfel), ditmaal wel met vergulde poorten (waarvan tweederden gemaakt door Ghiberti, ons om een of andere reden met mijmering herinnerend aan de leerkracht die niet met ons op reis meewilde), het Piazza della Signoria (met een fake-David van Michelangelo voor de deur) en de Ponte Vecchio, die niet over de Vecchio, maar over de Arno stroomt. Volgens het boekje dat naast me ligt, trekken we blijkbaar ook nog langs het Santa Croce, maar tenzij dit om een kerk annex graanstockeerplaats (want dat hebben we ook gezien) gaat, kan ik me dat niet meer herinneren.
Maar het geestigste deel van de tweede dag moet nog komen: het hotel. Door het lot (maar vooral door geluk) op de bovenste verdieping geplaatst, weten we dat we er als enige Collegianen zitten, samen met onze buren en tevens medereizigers (dus we zitten er eigenlijk niet alleen). En door nog meer sjans merken we het balkon op, dat in verbinding staat met onze buren. Daar moet deftig misbruik van gemaakt worden, zijn de aanpalende kamers beiden van mening. En zo geschiedt. Een kompaan en ik vertrekken naar de buren, terwijl de andere twee kamergenoten achterblijven om vroeg onder de wol te kruipen. Jammer voor hen, want er vloeit een overvloed aan rode wijn, er wordt naar lieve lust gepokerd, en als toetje nodigen we nog een derde kamer uit, één of twee verdiepingen lager gelegen (de wijn maakt alles wat onduidelijker), waarop we als een horde wilde beesten door het hotel stormen. En we hebben wel héél erg veel sjans, die avond, want geen enkele reisbegeleider komt reclameren, waardoor we tot 4 uur kunnen doorgaan, om daarna -heel behoedzaam, want met een zeker alcoholpromille in je lichaam kun je nooit voorzichtig genoeg zijn- weer op ons eigen balkon te klimmen, en vervolgens per abuis de twee achtergebleven kamergenoten wakker te maken. Omdat mijn nog-wakkere kamergenoot domweg struikelt op één van de twee slapenden.
Met de akelige gedachte maar 3 uur meer te kunnen slapen, kruipen we ten lange leste om 4u30 in bed. De gevolgen ervan leest u meteen.
Dinsdag 25 maart, dag 3
Ochtendstond heeft goud in de mond, ik enkel een kleffe smaak. Rode wijn staat blijkbaar gelijk aan een tikkeltje mottig zijn. En dat zal allesbehalve van pas komen, op deze lastige dag. Waarom lastig, dat leest u meteen.
Na het ontbijt wordt alweer van ons verwacht onze valies in te pakken en die in de bus te laden, om 15 voor 9 stipt. Stipt, ’s ochtends en ondergetekende, dat krijg je onmogelijk samen in één zin. Zo ook vandaag. 10 voor 9 (het kan ook iets later zijn..) kom ik als laatste beneden. Om te constateren dat de bus maar een vijftal minuten mocht blijven staan, om het verkeer niet te veel op te houden, en bijgevolg net vertrokken is.
Daar sta ik dan. Met mijn 15-of-meer kilo’s wegende valies. In Firenze. Op een relatief warme dag. Te vloeken. Omdat ik die rotvalies de hele dag zal mogen meesjouwen. Nog een geluk dat mijn koffer wieltjes heeft, al komen die niet echt van pas op de vaak oneffen trottoirs. Dus beslis ik de valies maar rugzaksgewijs op mijn -jawel- rug te dragen, met nodige schouderpijnen van dien.
Op weg in Firenze met mijn valies, dus. We stappen met stevige trot naar San Lorenzo, de grafkapellen van rijke stinkers de Medici, waar de eerste problemen beginnen. Beveiliging in Italië is een goeddraaiende commerce, zo blijkt. En ze werkt (vandaag toch) erg goed, zo blijkt ook, wanneer mijn valies de X-ray-scanner passeert, en de mensen van de security, tussen mijn onderbroeken en hemden, mijn steak- en zakmes zien passeren. Een njet voor de valies dus, waarop ik hem in goede vertrouwen achterlaat bij de bewakers, die me in ruil daarvoor een ticketje geven om hem straks weer op te halen.
En zo doe ik dat dus ook, na het mausoleum van Lorenzo di Magnifico en andere hoogdravende de Medici-mensen bezichtigd te hebben.
Ook bij Museo Bargello, volgestouwd met beeldhouwkunst van Michelangelo (met de dronken Bacchus), Donatello (met de bronzen David, op het moment van bezoek in reparatie) en andere op -o eindigende kunstenaars, mag mijn dierbare valies het interieur niet bezichtigen.
Hetzelfde liedje bij de Accademia, waar de échte, en heel erg imposante versie van de David van Michelangelo te vinden valt.
Stomme Italianen.
Stomme, onstipte ik, met mijn even stomme, almaar zwaarder doorwegende valies.
Want de helse tocht door Firenze met mijn valies houdt niet op na deze musea. O, nee, dat doet ie zeker niet. Een wandeling van een klein uur leidt (en lijdt) ons naar een der hoogste punten van Firenze, om te genieten van het uitzicht. Het jammere aan hoge punten is, dat er altijd trappen aan te pas komen. En hoe hoger het punt, hoe meer trappen. En geloof me vrij, het is een erg hoog punt. Zweten en zwoegen met die valies, en dat tijdens een Paasvakantie, het zou niet mogen.
Je kunt dus wel geloven dat ik heel erg blij ben de bus te bereiken, en die verdomde valies in die bus te bokken. Om daarna uit te blazen op dezelfde bus, en naar het hotel van Siena, een 70 kilometer verderopgelegen stad, gevoerd te worden.
En een geluk dat mijn valies, hoe gehecht ik er ook aan geraakt ben, in het hotel afgeleverd werd. Siena is één en al bergop. En bergaf ook. Want als je bergop gaat, moet je ooit bergaf gaan ook, dat is een waarheid als een koe.
We trekken langs een -jawel- doom (overvol van ingekerfde marmerplaten), baptisterium, en het Piazza del Campo, indrukwekkend door zijn eenvoudigheid, waar we jammerlijk niet van de helling mochten rollen van onze begeleider.
Daarna schaftte de pot weer iets geheel origineel -of dat hadden we gewild. Antipasta, all you can eat (hoewel de uitbaters van het restaurant (aanvankelijk) niet weten hoeveel wij konden eten, met als gevolg dat de all you can eat-formule vlug weer opgeborgen wordt), dit maal. Met als hoofdgerecht weer een varkens-kalfs-gelijkend stukje vlees. Mijn felicitaties echter aan de kok, die erin slaagde het plakje vlees zó flinterdun wist te snijden, dat je er haast door kunt kijken.
Na eerst, bij het volgen van enkele snoodaards, verkeerd gelopen te hebben (ondergetekende liep ook op kop, maar kom), trekken we uiteindelijk terug naar het hotel. Waar we voor de eerste maal met lede ogen aanzien hoeveel de Italianen in deze streek durven aan te rekenen voor een gewone pint. Zelfs na gediscussieer met de bartender, die verklaarde dat het bier zo duur is omdat het geïmporteerd wordt, terwijl er evengoed Peroni of Birra Moretti gestookt wordt in Italië. Dan maar een Bacardi Cola, waarvan de prijs aanzienlijk beter meevalt.
Uiteindelijk in onze kamer aangekomen, valt mijn kamergenoot in slaap bij het kijken naar Playboy-TV, kennelijk te ontvangen in alle Italiaanse hotels, mits wat gefoefel aan het tv-toestel. Daar het erg saai kan zijn te praten tegen een slapende, beslist ondergetekende zijn gezelschap een kamer verder te gaan zoeken, waar blijkbaar al bezoek binnen is geslopen.
Ons onderonsje wordt bruusk onderbroken door enkele niet zo vriendelijke leerkrachten, die meenden een ‘diepe mannenstem’ gehoord te hebben, in een kamer waar enkel meisjes dienen te slapen. Deels geflatteerd door het toegekend zijn van een ‘diepe mannenstem’, deels geschrokken van de razzia, wentel ik me tevergeefs onder bed. Met hangende pootjes en een vuile rug (want onder het bed werd blijkbaar lang niet meer gepoetst) druip ik af naar eigen kamer en bed, de derde dag afsluitend.
Dag 4 is voor een andere keer, indien ik geen vingerkrampen wil.