april 2008


Wat hebben mensen toch om altijd samen te willen hokken op één of andere site? De netlog-, facebook- en andere bucht-leden worden almaar talrijker, en daar versta ik me niet aan.

Akkoord, ik heb geen recht tot kritiek (dus ik geef er, wijselijk, ook geen), want ik ben zelf lid van myspace, last.fm, popfolio.be, imeem.com (tot twee keer toe, blijkbaar, aangezien paswoorden onthouden me maar niet lukt) en stubru.be maar daar ga ik nu eens de oorzaak van uit de doeken doen, zie.

Myspace.com: dat lééft. Je leert nieuwe groepen kennen, (nieuwe) bands leren jou kennen, je verneemt de laatste nieuwtjes en releases, en je bent vertrokken (meestal naar de cd-winkel). Dat is ook het énige waarvoor ik het doe. Ik out me niet als ik-weet-niet-wat (niet dat ik iets extraordinairs te outen heb), ik wedijver met niemand om de meeste vriendjes op mijn lijstje te staan hebben, en ik sluit al helemáál geen vriendschappen met mensen aan de andere kant van de wereld. Of van mijn dorp, als ik de persoon in kwestie niet ken. Onbekend is onbemind, en dat laat ik liever zo, tot ik de persoon eens in het écht tegenkom.

Last.fm: ook hier ben ik er niet op uit om vriendjes te maken, maar last.fm is gewoon léuk. Je kunt er lijstjes van recent afgespeelde muziek op je computer bekijken, en al helemáál te gek is de last.fm-radio, waar je nieuwe groepen leert kennen.

Popfolio.be: een datingsite, zo heet het. Ter verdediging van mezelve spreek ik dat graag tegen. Of nuanceer ik het begrip een beetje: het is geen datingsite zoals -ik zeg maar iets- date.com, maar een artistieke ontmoetingsplaats (wat is dat toch weer mooi verwoord..). Bands kunnen er beroep doen op fotografen, die op hun beurt hun portfolio wat kunnen doen aandikken. Ook journalisten zijn er -vraag me niet waarom- graaggeziene gasten. Daarom dus popfolio.be (en ook een beetje door het vriendelijke mailtje dat we kregen bij onze redactie).

Imeem.com: Gratis muziek, tiens!

Stubru.be: Omdat je anders niet mee kunt dingen naar de te winnen prijzen. Maar aangezien ik toch nooit sjans heb, heb ik er nog nooit van kunnen profiteren.

Maar waarom je, zomaar out of the blue, je zou laten aansluiten bij een massa-toestand-site-ding, met volstrekt vreemden die je zomaar op hun vriendenlijstje willen laten zetten, daar kan ik niet bij.

De jeugd, mijnheer, ze verandert. (zei de jeugd)

Ja meneer. En verdorie nog niet matig. Dat kunnen de erg vele mensen (ik weet niet hoeveel er in het Sportpaleis binnenkunnen, en de klok wijst zo’n ongodsvruchtig uur aan dat de moed me ontbreekt het op te zoeken) beamen die aanwezig waren op Nekka-nacht, vrijdag. En zaterdag waarschijnlijk ook, maar toen was ik er niet.

Met Bart Peeters aan het roer wordt je doorheen het verleden gevoerd, met gasten als Ramses Shaffy (Zing, Vecht, Huil, Bid, Lach en (vooral) Bewonder hem als overgelukkige midzeventiger, daar in het Sportpaleis), Ronny Mosuse, Hugo Matthysen (die het orgeltje van de show van Bosmans Jos meenam, met lachtirades -als dat woord bestaat- uit het publiek als gevolg).

Toch was het pas wanneer den Raymond (van het Groenewoud) op het podium verscheen, met de song Liefde Voor Muziek dat de sfeer erg ontspannen, en het gehoor erg danslustig werd. Het ging verbazend goed vooruit. Hoe kan het ook anders, ‘t is weer een West-Vlaming.

Nummers van gastheer Peeters waren onder andere Slimmer Dan de Zanger, Heist Aan Zee (all time favourite van ondergetekende, en niet alleen van hem, bleek uit de meezingende menigte), Into Folk (van wijlen The Radios, ditmaal in een nederlandstalig kleedje gestopt) en, tot twee maal toe, AAA.

Ook Wannes Van de Velde werd geëerd, maar moest wegens gezondheidsproblemen jammerlijk verstek laten. Met als gevolg dat zanger-bassist van wijlen Camden, Axl Peleman dus, samen met Peeters Ik wil deze nacht in de straten verdwalen.

In feite moet een concert niet veel meer zijn dan dat: Rasartiesten, liedjes die je in een ver verleden nog gekend hebt, een doenbaar decibelgehalte (niet te luid, met andere woorden), en begot een zitplaats.

En als u me nu wil excuseren, ik ga nog wat naar muziek van Peeters luisteren.

Heist Aan Zee

Toen ik nog boeken las en fietste op de dijk
Dacht ik dat geluk content zijn was en verder geen gezeik
We speelden frisbee in de zee en vroegen nooit waarom
Pinokkio was ook verbaasd toen hij in die walvis zwom

En de meeuwen meeuwden sta-a-tig de golven golfden naar het strand
En nonkel Luk zwom regelma-a-tig over en weer naar Engeland

Toen we Luikse wafels aten onlangs in Heist aan Zee
De kinderen in zo’n gocart zaten bejaarden ramden met wind mee
En de zee haar grijze zelf was dacht ik dit is het dit is af
Waarna de jongste in haar broek deed en de oudste overgaf

En de meeuwen meeuwden statig de golven golfden naar het strand
En we zwommen regelmatig over en weer naar Engeland

En de meeuwen meeuwden statig de golven golfden naar het strand
En ik lieg nog regelmatig over zwemmen naar Engeland

Verdorie, de affiche van TW ‘08 bekijkend, begin ik haast spijt te krijgen dat ik het weiger 165 euri toe te kennen aan de alom gekende geldzak Schueremans. Deels omdat ik het hem niet gun (om de eenvoudige reden dat onze Herman gerust alle andere festivals boycot, om de grootste namen op zijn eigen weide te kunnen opstellen, schobbejak), maar deels omdat 165 eurostukken van een euro wel héél erg veel zijn, mijns inzien.

Toch kan ik het niet laten lichtelijk tot kwijlen over te gaan bij het zien van een affiche met pakweg My Morning Jacket, John Butler Trio of Ben Folds (en dat zijn voor veel mensen waarschijnlijk zelfs nog maar de kleine namen). Elektrofans komen eveneens aan hun trekken in het dorpje aan de Dijle, met Chemical Brothers, Justice (niet zo heel erg goed bevonden op Soulwax-mas), 2manydjs (idem), of Digitalism.

Verdorie, Schueremans, waarom vraagt ge zoveel geld. Terwijl festivals toch draaien om het vieren van de vrijheid (waarin geld geen rol zou mogen spelen), de jeugd(die veelal geen geld bezit) en de onbezonnenheid(die de oorzaak is waarom de jeugd veelal geen geld bezit).

Lap. Het is al zover, ondergetekende begint al te ijlen over onbezonnenheid en dergelijke zever. Een lichte aanval van festivalitis, me dunkt, met vrijdagavond Nekkanacht, en daarna festivals ‘Miñesta’, ‘Dranouter Aan Zee’ en eventueel ‘Ten Vrede’ in het vooruitzicht, de komende weken.

Het festivalseizoen is geopend, vrees ik..

Vorige blogpost over Italië eindigde zo: Maar aangezien ondergetekende geen moer Italiaans snapt, wordt de blijde boodschap al weer vlug in de nachtkastje gestopt.

Dus zal ik maar gewoon verdergaan op het elan waarop ik bezig was.

Maandag 24 maart, dag 2

De Italiaanse nachten zouden nooit lang duren, zoveel is duidelijk. Of beter gezegd, het slápen in de Italiaanse nachten zou nooit lang duren. De roomservice is zo vriendelijk ons wakker te bellen om 7u30 -of was het nu kwart na?-, en voor de enige keer op de hele reis hoor ik de telefoon, en mijn eerste conversatie met een Italiaan geschiedt:
-Wake Up Call, blablabla
-Si, bene.

Wat zou dat een taalverrijkende reis worden.

Na het opnemen en weer terug neerleggen van de hoorn-want dat doe je met een hoorn, hem opnemen en na het gesprek terug neerleggen- dut ik weer in. Tot een vette elektroschijf van mijn slaapvriend (jawel, sláápvriend) me voor een tweede keer wekt. En de vriend voor een tweede keer blijft snurken. Toch slaagt hij erin eerder op appel te zijn bij het ontbijt, en wat voor een ontbijt.

eieren met spek (of toch iets dat erop gelijkt en dezelfde smaak heeft), croissants (jammerlijk naar sinaasappelen smakend), cornflakes en pistolekes. Wat zal dat een teleurstelling zijn, als blijkt dat dit het beste ontbijt is van de tien dagen.

Na het ontbijt: voor de eerste van zeven keer onze valies terug opkramen en de bus op. We hebben immers 280 km voor de boeg, langs de Ligurische kust (niet dat ik me dat kan herinneren, wegens een overdosis manillen, maar bij het maken van dit verslag spiek ik constant in ons reisboekje. ‘t Is maar dat je het weet) naar Pisa.

Een leuk stadje, Pisa, met zijn -door nalatigheid (of gewoon stomheid) van de architecten scheefgetrokken- klokkentoren, ook campanile genaamd, doom (lap, alweer een doom), baptisterium (doopgebouw) en camposanto (begraafplaats uit de middeleeuwen). Alleen jammer dat de Campo dei Miracoli, waarop dit alles gebouwd is, volloopt met olijke onnozelaars die het grappig menen te vinden een kiekje van zich te laten nemen terwijl ze de toren rechthouden. Rare jongens, die toeristen.

Een nog raardere jongen was bijgod een Pisano zelf, die het nodig vond stilte te eisen en te beginnen zingen in het baptisterium, zogezegd om de akoestiek te benadrukken. Akoestiek genoeg, en de man (die blijkbaar toch een werknemer van de stad was) kreeg door enkele medereizigers een centje in zijn hand gestopt.

Maar goed, korte samenvatting van Pisa: veel -mooie- gebouwen, veel mensen, veel zon, veel -haha- pizza om te eten.

Na de korte stop in Pizza stappen we nogmaals de bus op, dit keer voor een ‘kortere’ rit van 100 km naar Firenze, alwaar we ons -alweer miserabele- avondmaal nuttigen, antipasta (inderdaad, van 10 dagen Italië zou je voor minder anti-pasta worden) en iets dat moet doorgaan als varkens- of kalfsvlees. Mét uiteraard een flesje goeie witte wijn. De rode wijn is voor later.

En later, daarmee bedoel ik het hotel, maar daar zijn we dus nog niet. Eerst maken we een fraai lange wandeling door Firenze, langs de derde doom, met indrukwekkende koepel, van de reis, de tweede of derde campanile van de reis (ik kan me niet herinneren of ik een klokkentoren heb zien staan in Milaan), het tweede of derde battisterio (zelfde reden als bij de klokkentorens voor mijn getwijfel), ditmaal wel met vergulde poorten (waarvan tweederden gemaakt door Ghiberti, ons om een of andere reden met mijmering herinnerend aan de leerkracht die niet met ons op reis meewilde), het Piazza della Signoria (met een fake-David van Michelangelo voor de deur) en de Ponte Vecchio, die niet over de Vecchio, maar over de Arno stroomt. Volgens het boekje dat naast me ligt, trekken we blijkbaar ook nog langs het Santa Croce, maar tenzij dit om een kerk annex graanstockeerplaats (want dat hebben we ook gezien) gaat, kan ik me dat niet meer herinneren.

Maar het geestigste deel van de tweede dag moet nog komen: het hotel. Door het lot (maar vooral door geluk) op de bovenste verdieping geplaatst, weten we dat we er als enige Collegianen zitten, samen met onze buren en tevens medereizigers (dus we zitten er eigenlijk niet alleen). En door nog meer sjans merken we het balkon op, dat in verbinding staat met onze buren. Daar moet deftig misbruik van gemaakt worden, zijn de aanpalende kamers beiden van mening. En zo geschiedt. Een kompaan en ik vertrekken naar de buren, terwijl de andere twee kamergenoten achterblijven om vroeg onder de wol te kruipen. Jammer voor hen, want er vloeit een overvloed aan rode wijn, er wordt naar lieve lust gepokerd, en als toetje nodigen we nog een derde kamer uit, één of twee verdiepingen lager gelegen (de wijn maakt alles wat onduidelijker), waarop we als een horde wilde beesten door het hotel stormen. En we hebben wel héél erg veel sjans, die avond, want geen enkele reisbegeleider komt reclameren, waardoor we tot 4 uur kunnen doorgaan, om daarna -heel behoedzaam, want met een zeker alcoholpromille in je lichaam kun je nooit voorzichtig genoeg zijn- weer op ons eigen balkon te klimmen, en vervolgens per abuis de twee achtergebleven kamergenoten wakker te maken. Omdat mijn nog-wakkere kamergenoot domweg struikelt op één van de twee slapenden.

Met de akelige gedachte maar 3 uur meer te kunnen slapen, kruipen we ten lange leste om 4u30 in bed. De gevolgen ervan leest u meteen.

Dinsdag 25 maart, dag 3

Ochtendstond heeft goud in de mond, ik enkel een kleffe smaak. Rode wijn staat blijkbaar gelijk aan een tikkeltje mottig zijn. En dat zal allesbehalve van pas komen, op deze lastige dag. Waarom lastig, dat leest u meteen.

Na het ontbijt wordt alweer van ons verwacht onze valies in te pakken en die in de bus te laden, om 15 voor 9 stipt. Stipt, ’s ochtends en ondergetekende, dat krijg je onmogelijk samen in één zin. Zo ook vandaag. 10 voor 9 (het kan ook iets later zijn..) kom ik als laatste beneden. Om te constateren dat de bus maar een vijftal minuten mocht blijven staan, om het verkeer niet te veel op te houden, en bijgevolg net vertrokken is.

Daar sta ik dan. Met mijn 15-of-meer kilo’s wegende valies. In Firenze. Op een relatief warme dag. Te vloeken. Omdat ik die rotvalies de hele dag zal mogen meesjouwen. Nog een geluk dat mijn koffer wieltjes heeft, al komen die niet echt van pas op de vaak oneffen trottoirs. Dus beslis ik de valies maar rugzaksgewijs op mijn -jawel- rug te dragen, met nodige schouderpijnen van dien.

Op weg in Firenze met mijn valies, dus. We stappen met stevige trot naar San Lorenzo, de grafkapellen van rijke stinkers de Medici, waar de eerste problemen beginnen. Beveiliging in Italië is een goeddraaiende commerce, zo blijkt. En ze werkt (vandaag toch) erg goed, zo blijkt ook, wanneer mijn valies de X-ray-scanner passeert, en de mensen van de security, tussen mijn onderbroeken en hemden, mijn steak- en zakmes zien passeren. Een njet voor de valies dus, waarop ik hem in goede vertrouwen achterlaat bij de bewakers, die me in ruil daarvoor een ticketje geven om hem straks weer op te halen.

En zo doe ik dat dus ook, na het mausoleum van Lorenzo di Magnifico en andere hoogdravende de Medici-mensen bezichtigd te hebben.

Ook bij Museo Bargello, volgestouwd met beeldhouwkunst van Michelangelo (met de dronken Bacchus), Donatello (met de bronzen David, op het moment van bezoek in reparatie) en andere op -o eindigende kunstenaars, mag mijn dierbare valies het interieur niet bezichtigen.

Hetzelfde liedje bij de Accademia, waar de échte, en heel erg imposante versie van de David van Michelangelo te vinden valt.

Stomme Italianen.

Stomme, onstipte ik, met mijn even stomme, almaar zwaarder doorwegende valies.

Want de helse tocht door Firenze met mijn valies houdt niet op na deze musea. O, nee, dat doet ie zeker niet. Een wandeling van een klein uur leidt (en lijdt) ons naar een der hoogste punten van Firenze, om te genieten van het uitzicht. Het jammere aan hoge punten is, dat er altijd trappen aan te pas komen. En hoe hoger het punt, hoe meer trappen. En geloof me vrij, het is een erg hoog punt. Zweten en zwoegen met die valies, en dat tijdens een Paasvakantie, het zou niet mogen.

Je kunt dus wel geloven dat ik heel erg blij ben de bus te bereiken, en die verdomde valies in die bus te bokken. Om daarna uit te blazen op dezelfde bus, en naar het hotel van Siena, een 70 kilometer verderopgelegen stad, gevoerd te worden.

En een geluk dat mijn valies, hoe gehecht ik er ook aan geraakt ben, in het hotel afgeleverd werd. Siena is één en al bergop. En bergaf ook. Want als je bergop gaat, moet je ooit bergaf gaan ook, dat is een waarheid als een koe.

We trekken langs een -jawel- doom (overvol van ingekerfde marmerplaten), baptisterium, en het Piazza del Campo, indrukwekkend door zijn eenvoudigheid, waar we jammerlijk niet van de helling mochten rollen van onze begeleider.

Daarna schaftte de pot weer iets geheel origineel -of dat hadden we gewild. Antipasta, all you can eat (hoewel de uitbaters van het restaurant (aanvankelijk) niet weten hoeveel wij konden eten, met als gevolg dat de all you can eat-formule vlug weer opgeborgen wordt), dit maal. Met als hoofdgerecht weer een varkens-kalfs-gelijkend stukje vlees. Mijn felicitaties echter aan de kok, die erin slaagde het plakje vlees zó flinterdun wist te snijden, dat je er haast door kunt kijken.

Na eerst, bij het volgen van enkele snoodaards, verkeerd gelopen te hebben (ondergetekende liep ook op kop, maar kom), trekken we uiteindelijk terug naar het hotel. Waar we voor de eerste maal met lede ogen aanzien hoeveel de Italianen in deze streek durven aan te rekenen voor een gewone pint. Zelfs na gediscussieer met de bartender, die verklaarde dat het bier zo duur is omdat het geïmporteerd wordt, terwijl er evengoed Peroni of Birra Moretti gestookt wordt in Italië. Dan maar een Bacardi Cola, waarvan de prijs aanzienlijk beter meevalt.

Uiteindelijk in onze kamer aangekomen, valt mijn kamergenoot in slaap bij het kijken naar Playboy-TV, kennelijk te ontvangen in alle Italiaanse hotels, mits wat gefoefel aan het tv-toestel. Daar het erg saai kan zijn te praten tegen een slapende, beslist ondergetekende zijn gezelschap een kamer verder te gaan zoeken, waar blijkbaar al bezoek binnen is geslopen.

Ons onderonsje wordt bruusk onderbroken door enkele niet zo vriendelijke leerkrachten, die meenden een ‘diepe mannenstem’ gehoord te hebben, in een kamer waar enkel meisjes dienen te slapen. Deels geflatteerd door het toegekend zijn van een ‘diepe mannenstem’, deels geschrokken van de razzia, wentel ik me tevergeefs onder bed. Met hangende pootjes en een vuile rug (want onder het bed werd blijkbaar lang niet meer gepoetst) druip ik af naar eigen kamer en bed, de derde dag afsluitend.

Dag 4 is voor een andere keer, indien ik geen vingerkrampen wil.

Wat haat ik busreizen. Niet de kortere busreizen van pakweg naar en terug van school, maar de langer durende, van die reizen die lang genoeg duren om als enige wakkere over te blijven. Of om nog enkele andere wakkere enkelingen uit de slapende massa te kunnen ontwaren. Dat haat ik nog het meeste, want veelal zitten deze individuen lekker sociaal te wezen, palaberend over materie waarover je weinig zin hebt je eigen zeg te doen. Of de wijde wereld der roddels betredend, over personen die je des te meer bevallen.

En wat doet een buitenstaande insomnia-lijder dan? Schrijven, inderdaad. Welkom op mijn -al dan niet korte, daar ben ik nog niet helemaal uit- verslag di viaggio di bella Italia.

Vooraleer ik me echt waag aan een beschrijving der sfeer, gebouwen, mensen of godbetert dieren, wil ik graag nog kwijt dat ik
a) geen historicus ben, of niet in het minste iets dat daarop lijkt. Excuses dus voor halve of gene waarheden die het risico lopen ontdekt te worden in volgende tekst.
b)weinig behendig ben in vreemde talen. Zo reikt mijn Italiaanse vocabularium met moete verder dan het bestellen van ‘una birra alla spina’ (een pintje van ‘t vat) of meestal verkeerdelijke ‘veritaliaansering’ van Nederlandse, Franse, Duitse, Engelse of Latijnse woorden of begrippen (niet dat ik erg vaardig ben in deze vorige talen, maar kom). Scuzi dus, als er een van deze dwaze ‘bastaardwoorden’ (want heet dat niet zo?) uw Italiaans-sprekende oog (hmm) weet te bereiken. Al weet ik niet of ik me deze begrippen nog voor de geest zal kunnen halen, een week na de reis.
c)niet erg hoog oploop met de rijkelijk versierde kerken der katholicisme -mét reden.
En als laatste wil ik nog vertellen dat je deze hele reis één of andere onverlaat moet inbeelden die ten allen tijde ’si, si, bene’ zit uit te schreeuwen. Wie deze onverlaat is, daar spreek ik me wijselijk niet over uit :-) .

Zondag 23 maart, dag 1. 

4 uur in de morgen, 80 achttienjarigen aan de schoolpoort en 2 bussen met evenveel (of iets meer) chauffeurs om die bussen op plaats van bestemming te brengen. 100-dagen is het niet, daarvoor is het té vroeg op de dag, té veel vakantie en té passé, aangezien het college zijn 100-dagen een kleine maand vroeger vierde. Bovendien zijn er té veel ouders om de leerlingen uit te wuiven, met daarbij nog eens een handjevol leerkrachten om de Italië-reis -want inderdaad, we gaan op Italië-reis- tot een goed einde te brengen.

Enkele plaspauzes en 640km later houden we een goed uur halt in Colmar, dat blijkbaar toch niet een of ander wegrestaurant moet voorstellen, maar een Frans (middeleeuws?) stadje, met bijhorende clochards, een gesprek aanbinded in de hoop 2 euro af te kunnen schooien, pour aller boire un bière. Brute pech voor hem.

Buschauffeurs, regen, bijna sneeuw en veel richtingaanwijzers lijden ons door respectievelijk door België (logischerwijs), Luxemburg, Frankrijk, Zwitserland, om dan uiteindelijk Italië binnen te rijden, door één van de vele Zwitserse tunnels. En jawel, clichématige weergoden zijn ook van de partij, en ze zijn blijkbaar nog content ook, want il sole heet ons welkom in het land van pasta’s, scheve torens en fascistische bevelhebbers waarvan de voornaam Benito luidt.

Eerste hotel van de reis is een zeker Da Vinci-hotel, ergens in de suburbs van Milaan. Vooraleer we kamers mogen kiezen, rushen we eerst nog even langs de zienswaardigheden van Milano, waarvan de dom ter ere van Maria(de eerste van een lange rij), ondanks half in stellingen gezet, wordt onthouden, samen met het Castello Sforcesco.

Maar kom, rushen doe je niet voor niets. Wij rushen om op tijd aan te schuiven aan onze dis. Wat meteen een beeld schept van wat de Italiaanse keuken kan. Niet veel, zo blijkt, een lekkere spaghetti als voorgerecht buiten kijf gesteld. Het lapje vlees dat als hoofdgerecht moest dienen, werd al met veel langere tanden gegeten. En klaarblijkelijk stellen Italianen patatten gelijk aan groenten, waardoor er slechts sla óf aardappelen op een bord gevonden worden. En voor ons, boertjes uit de polders (waarmee ik uiteraard geen uitspraken doe over de manieren van mijn reiskompanen), gaat dat er toch moeilijk in.

Na een maaltijd waar we toch weinig gelukkig mee kunnen zijn, zakken we uiteindelijk af naar het hotel. Classy, zo blijkt. Alleen stopcontacten zonder aarding verknoeien de luxe toch een beetje, maar dat wordt goedgemaakt met een bad, bene caldo, terwijl Gideon’s Bible, blijkbaar aanwezig in de meeste Italiaanse (Calvinistische?) hotels, aan een inspectie wordt onderworpen. Maar aangezien ondergetekende geen moer Italiaans snapt, wordt de blijde boodschap al weer vlug in de nachtkastje gestopt.

Dag 2. is voor een volgende keer.

Vraag maar aan mijn benen. Net terug van een 10-daagse Italië-reis (waarvan een verslagje volgt) kreeg ik het in mijn bol om eens sportief te gaan wezen. Had ik maar niet geluisterd naar mezelf, dan had ik nu geen stramme spieren.

Gisteren vond ik het nodig om nog eens het toertje, dat ik een jaar geleden nogal regelmatig liep, af te leggen. Met als gevolg dat ik op mijn vele pauzes moest constateren dat mijn fysiek me door de non-activiteit ontfutseld werd.

Gisteravond ging ik in op de uitnodiging van zuslief om mee te gaan zwemmen, hoewel nog niet geheel gerecupereerd van de ochere 10km die ik met moeite uitgelopen had. Ook op dat zwemmen had ik beter een njet als antwoord gegeven.

En als kers van de taart ben ik helemáál over mijn toeren gegaan bij het meerijden met -of beter gezegd, achtersukkelen van -twee -klaarblijkelijk veel sportievere- vrienden, die voorgesteld hadden de Kemmelberg nog eens te gaan beklimmen.

Mijn sportieve geweten is weer gesust, waarbij ik meteen ook beslis m’n sportplunje voor enkele weken in de kast te laten liggen.

Sporten is gezond, zeggen ze dan. Laat mij maar gerust zitten in de zetel met een grote zak chips, daar krijg ik tenminste geen pijn van aan mijn ledematen. (Zei de luizigaard).